10 juli 2026
Het verkeer op de Jan Wapstraat in Den Haag rijdt gewoon door. Niemand die er iets van merkt. Maar een paar meter onder het asfalt gebeurt werk dat bepaalt of dit deel van de stad de komende decennia genoeg stroom heeft. Quint & van Ginkel legt hier, in opdracht van netbeheerder Stedin, twee nieuwe middenspanningsverbindingen aan. Werk dat pas over een paar jaar zijn waarde laat zien, maar dat nu al met dezelfde precisie wordt aangelegd. Projectleiders Gertjan en Mitchell volgen het project op de voet, van de eerste boring tot de laatste meter kabel.
Waarom dit project er is
Den Haag groeit. De gemeente heeft een duidelijke toekomstvisie: in het verzorgingsgebied rond dit project komen zo'n 9.000 woningen bij. Al die huizen hebben stroom nodig, niet over twintig jaar, maar op het moment dat ze worden opgeleverd.
Het huidige net is daar niet op berekend. Meer woningen betekent meer vraag naar vermogen, en dat vraagt om extra transportcapaciteit in het distributienet. Daar ligt de kern van dit project: het net toekomstbestendig maken, zodat de energievoorziening in dit deel van de stad ook bij die groei betrouwbaar blijft. Dat betekent nu al bouwen aan capaciteit die pas over een paar jaar volledig wordt benut.
Twee verbindingen, één station
Alles komt samen bij het 25 kV-station aan de Jan Wapstraat. Vanuit dit station worden twee nieuwe kabelverbindingen aangelegd, allebei uitgevoerd in 3x1x400 mm² aluminium.
De eerste is een stamvoeding: een directe verbinding naar MSR E106 aan het Cromvlietplein, circa 1.950 meter lang. Zie het als een hoofdader die rechtstreeks capaciteit aanvoert naar een gebied waar die nodig is.
De tweede is een ringverbinding van circa 4.200 meter. Deze kabel vertrekt ook vanuit de Jan Wapstraat, maar komt via een andere route weer terug op datzelfde station. Dat ringprincipe is precies waarom deze verbinding zo waardevol is: bij een storing op één punt in de ring kan het net alsnog gevoed worden vanuit de andere kant. Dat verhoogt de leveringszekerheid en geeft meer vrijheid in de bedrijfsvoering van het net.
Beide kabels zijn nu gedimensioneerd op de huidige bedrijfsspanning, maar wel geschikt voor 21 kV. Als het net in de toekomst wordt opgeschaald, hoeft er geen nieuwe kabel de grond in. De ring kan dan zonder extra graafwerk worden omgezet. Werk dat je nu goed voorbereidt, hoef je later niet over te doen.
Waarom niet overal dezelfde methode werkt
Een tracé van ruim 6 kilometer door een dichtbebouwde stad kom je niet met één aanlegmethode uit. Elke straat, kruising en watergang vraagt om een andere aanpak.
Op negen locaties wordt gebruikgemaakt van gestuurde boringen, ook wel HDD-boringen genoemd. Daarmee kruis je wegen, watergangen en andere obstakels zonder de grond open te leggen: geen opgebroken straat, geen verkeershinder, en geen risico op schade aan kabels en leidingen die er al liggen. In een stad als Den Haag, waar de ondergrond al vol ligt, is dat vaak de enige verantwoorde manier om een kruising te maken.
Op één locatie volstaat een HDD-boring niet. Daar is te weinig ruimte, of de omgeving laat een conventionele boring niet toe. Dan komt een NanoDrill-boring in beeld: een kleinere, wendbare techniek die inzetbaar is waar een gewone boorstelling niet past. Het laat zien dat dit vak draait om het vinden van een oplossing die past bij de specifieke locatie, in plaats van overal dezelfde oplossing toe te passen. Wat op de ene straathoek de beste keuze is, is een paar honderd meter verderop misschien niet uitvoerbaar.
Op de rest van het tracé wordt open ontgraven. Waar de ruimte het toelaat, gebeurt dat machinaal, wat sneller gaat en minder mensen op de locatie vraagt. Maar waar al veel kabels en leidingen liggen, is dat te riskant. Daar wordt zuigtechniek (vacuümtechniek) ingezet, die de grond, laagje voor laagje weghaalt zonder bestaande infrastructuur te raken. Trager dan machinaal graven, maar veel preciezer. En precisie is precies wat nodig is als er al water-, gas- en telecomkabels in dezelfde strook grond liggen. De keuze tussen deze technieken wordt dan ook niet op voorhand vastgelegd voor het hele tracé, maar per locatie opnieuw gemaakt.
Wat dit vraagt van de mensen op het project
Voor Gertjan en Mitchell zit de puzzel niet in de techniek op zich, maar in de volgorde en afstemming. Negen boringen, één NanoDrill en kilometers open ontgraving betekenen voortdurend schakelen tussen aannemers, materieel en werkzaamheden op verschillende plekken in de stad tegelijk. Elke methode heeft zijn eigen voorbereidingstijd, vergunningen en risico's, en die moeten allemaal op elkaar aansluiten.
Daar komt bij dat het volledige tracé door een bestaande, drukke stedelijke ondergrond loopt. Voordat de eerste schep de grond in gaat, moet precies duidelijk zijn welke kabels en leidingen er al liggen. Een foutieve inschatting kost geen minuten, maar dagen. Juist daarin zit het vakmanschap: niet alleen weten hoe je een boring of graafwerkzaamheden uitvoert, maar ook bepalen welke methode op welk moment het meest geschikt is en hoe je die afstemt met alle partijen die in dezelfde straat aan het werk zijn. Een verkeerde keuze op één locatie kan het hele tracé vertragen.
Onzichtbaar werk met een zichtbaar gevolg
Wie straks door dit deel van Den Haag fietst, ziet niets van dit project terug. Geen zichtbare kabels, geen gaten, gewoon de weg zoals hij was. En dat is precies het punt. Het werk hier is pas succesvol als je het nooit meer merkt: als het licht gewoon aangaat, ook in een wijk met 9.000 woningen erbij.
Dat is misschien wel het meest kenmerkende aan werken in de ondergrondse infra. Je bouwt aan iets dat mensen dagelijks gebruiken zonder erbij stil te staan. Pas als het er niet is, valt het op. Voor wie het vak begrijpt, zit daar de trots: weten dat die stille, onzichtbare kabel onder de Jan Wapstraat straks een hele wijk draaiende houdt, jaren nadat de laatste sleuf hier weer is dichtgemaakt. En daar zijn wij trots op!